Joep gaat naar school en we leren allemaal

Mijn kleinzoon Joep is vier geworden en begint na de zomervakantie aan zijn schoolcarrière.

Hij verheugt zich er op om naar school te gaan, hij kan gewoon niet wachten! Mij houdt het op een heel andere manier enorm bezig. Ik vertel aan deze en gene hoe erg ik het vind dat hij nu misschien wel tot zijn zeventigste in het gareel moet. Zijn vrije leventje is immers voorbij. Ach, zeggen ze, dat valt wel mee, je zult zien hoe leuk hij het vindt. Ze hebben vast gelijk, maar het treurige gevoel wil niet verdwijnen.

Als de grote dag aanbreekt, kom ik tijdens het ontbijt binnen. Het is immers omadag. Er zit een heel klein wit jongetje aan tafel. Dat is heel wat anders dan de bravoure en het enthousiasme dat hij anders uitstraalt. ‘Joep heeft alles al ingepakt’, zegt mama. Ik haal een pakje uit mijn rugzak en geef het hem. Hij pakt het uit: ‘Een leeuw!’ Ik weet dat hij dol is op wilde dieren. ‘Jij bent zelf ook een leeuw’, zeg ik, ‘en deze gaat jou helpen’. ‘Maar hij is veel kleiner dan ik’, reageert hij. ‘Dat maakt niet uit’, zeg ik, ‘hij is heel sterk en hij helpt jou’. De leeuw gaat meteen in zijn rugzak: hij moet mee. Even later zit Joep bij zijn moeder achter op de fiets. Zijn vader, zijn zusje Fileine van anderhalf en ik zwaaien ze uit.

Het is wel even wennen, mijn eerste omadag zonder die druktemaker. Fileine maakt het eigenlijk niet zoveel uit. Die gaat rustig zoals altijd haar eigen gangetje. De dag kabbelt voort en om een uur of drie zie ik mama met Joep door de poort achter het huis komen. Hij houdt de leeuw in zijn hand geklemd.

‘Hoe was het?’, vraag ik. ‘Wel leuk’, zegt hij tam. ‘Joep was heel verdrietig toen ik wegging’, zegt mama. ‘Hij moest erg huilen’. Als we thee hebben gedronken, zegt ze: ‘Weet je wat we doen? We fietsen met ons vieren nog een keer naar school, dan kan Joep je laten zien waar het is’. Want de week erna moet ik hem zelf ophalen. We fietsen naar school en Joep wordt langzaamaan steeds enthousiaster. Hij laat zien waar zijn klas is en neemt me mee naar zijn meester, zodat ik hem een hand kan geven. Ik moet zien aan welk tafeltje hij zit en hij laat me vol trots zien, dat deze school wel vier ‘speeltuinen’ heeft. Wie zou er nou niet naar zo’n school willen?

Dagen lang is Joep verdrietig als zijn moeder hem op school achterlaat. En ik ook, als ik aan hem denk. Opeens bekruipt me de gedachte, dat ik zo niet door moet gaan. Want gaat dit nog wel over Joep? Is mijn betrokkenheid niet ietwat buiten proporties? Belast ik Joep niet door hier zoveel bij te blijven voelen? Kan ik hem niet beter helpen, door mijn eigen verdrietige gevoel rond deze situatie los te laten?

Ik verkeer in de benijdenswaardige situatie dat ik diverse goede therapeuten in mijn vriendinnenkring heb. Edith, ook oma, staat me graag bij. Er ontvouwt zich een prachtige sessie waarin uiteindelijk zich het  jongetje  aandient dat ik verloor bij een miskraam. Ik voel het verdriet heel intens en neem afscheid van hem. ’s Avonds realiseer ik me dat die miskraam het begin is geweest van een totale omwenteling in mijn leven. Ik ben mijn babyjongetje diep dankbaar dat hij deze rol als aanjager van een enorm groeiproces heeft willen spelen. Ik heb afscheid van hem genomen en op een bepaalde manier is hij ook weer terug, maakt hij nu echt onderdeel van mijn geschiedenis uit. Hij is niet meer alleen een miskraam, hij heeft een belangrijke rol in mijn leven gehad en ik hou van hem.

 

Als ik een dag later bij Joeps moeder informeer hoe het is met het naar school gaan, zegt ze: ‘Het huilen is voorbij. Hij vindt het nu prima als ik wegga’. Ze vertelt me hoe een goed gesprek de oplossing bracht. Dat ging zo:

Mama: ‘Oké, we gaan samen naar binnen, de klas in. Is er dan al iets naar? ‘

Joep:’ Ja, dan moet ik de meester een hand geven. Dat wil ik niet’. Dat herkent oma wel. Joep houdt niet van begroetingen, en al helemaal niet als het formeel moet.

Mama: ‘O, maar dat hoeft ook niet, hoor. Maar je moet de meester wel even laten merken dat je er bent. Je kunt ook naar hem toe stappen en hallo tegen hem zeggen. Wil je dat wel?’

Joep: ‘Ja, dat wil ik wel’.

Mama: ‘En wat gebeurt er dan?’

Joep: ‘Dan leg ik mijn boterhammen in de bak’.

Mama: ‘Is dat naar?’

Joep: ‘Nee. Maar dan ga ik aan mijn tafeltje zitten. En dan ga jij weg. Dan word ik heel verdrietig’.

Mama:  ‘En als we het nou eens zo doen? Ik ga met jou mee, we doen samen je boterhammen in de bak en dan kom ik even met jou aan je tafeltje zitten. Dan ga ik weg, maar ik loop eerst om de school heen langs het raam, en dan zwaai ik naar je’.

Joep: ‘Oké, dan vind ik het misschien niet zo erg’.

En zo doen ze het. Mama brengt Joep naar binnen. Joep loopt naar de meester en zegt: ‘Hallo’. ‘Hallo Joep’, zegt de meester en hij steekt zijn hand uit. Joep negeert de hand en loopt naar zijn tafeltje. Verder gaat het zoals afgesproken. Mama vertrekt, zwaait nog even door het raam. Joep zwaait enthousiast terug en begint dan te spelen. Zo gaat het een paar dagen. Joep zegt hallo, de meester steekt zijn hand uit, Joep negeert de hand en loopt weg. Maar er komt een dag dat Joep zijn hand als vanzelf in de hand van de meester legt…

Zijn moeder vertelt me later hoeveel ze zelf geleerd heeft van deze situatie. Ze ziet hoe ze serieus met Joep in gesprek kan gaan en hem kleine vraagjes kan stellen, zodat alle kleine hobbeltjes die samen een grote hobbel werden, een voor een opgelost kunnen worden.

 

Nu haal ik hem iedere maandag uit school, samen met zijn zusje. Als hij een paar weken later de schooldeur uit komt, met zijn rugzak, zijn gymtas, zijn jack en een paar tekeningen in zijn handen, stormt Fileine op hem af: ‘Papa, papa!’ Want op dit moment heet iedereen papa of mama. Hij overhandigt mij de spullen. Als we naar de auto lopen, zegt hij: ‘Oma, Ik weet alles!’ ‘O ja?’,zeg ik en ik denk, o jee, wat moet ik hier nou mee? Hij vervolgt: ‘Job vindt dat stom. Die zegt dat ik niet alles weet’. Job is een jongetje waar hij het nogal eens mee aan de stok heeft, en die een jaar ouder is.  ‘Goh,’ zeg ik, en ik besluit om er op dit moment niet op in te gaan. Maar ik kan het niet helemaal laten: ‘Oma denkt niet dat ze alles weet’. ‘Nou, ik wel’, zegt Joep heel zeker.

De dagen erna blijft dit gesprekje in mijn gedachten. Hoe kan ik hier nou goed op inspelen? Met zo’n instelling maak je echt geen vrienden en het is ook niet bepaald een stimulerende leerhouding. Oordelen te over, dus. Maar ik zou graag een manier vinden om er echt met hem over in contact te komen. Ik zou wel willen weten waar die opmerking vandaan komt.

Er komt een spannende mogelijkheid voorbij. Staan we niet allemaal vanuit onze bron in contact met het wetende veld, het Al Weten? Zou hij dat bedoelen? Ah, dat zou mooi zijn. Zo’n prachtig nieuwetijdskind dat met van die wijze opmerkingen komt. Ik laat deze gedachte maar voor wat hij is. Ik zie hem voor me, mijn grote schat, zoals ik hem altijd noem, in die jaloersmakende zekerheid van hem, en mijn hart vloeit over van liefde.

Een week later, als hij bij me logeert, vraag ik aan hem: ‘Joep, denk je nog steeds dat je alles weet?’ ‘Ja, hoor!’ zegt hij heel zeker. ‘En wat bedoel je dan precies?’, vraag ik. ‘Nou, ik weet alles wat je niet mag doen. Knijpen, schoppen, spugen en zo. Dat heeft mama gezegd. En Job vindt dat stom.’

Ah, nou snap ik het! Het is immers heel moeilijk om je als vierjarige heel precies uit te drukken. Daar zou hij heel wat meer taal voor nodig hebben dan waar hij nu over beschikt. Hij voelt het precies, maar de woorden zijn er nog niet allemaal. En hij vertrouwt erop dat ik zijn code zal kunnen ontcijferen.

Wat is het dan belangrijk om, zonder iets in te vullen, nieuwsgierig door te vragen totdat je precies snapt wat hij bedoelt. Want als volwassene heb je immers maar al te gauw de neiging, te denken dat jij alles weet en hij niet. En voordat je het weet, heb je elkaar buitengesloten.

Het contact met Joep is zo kostbaar voor mij dat het me helpt, mijn reacties zorgvuldig te wegen voordat ik ze uit. En zo helpt hij me, steeds beter en contactrijker te communiceren.

Dat leert hij zelf kennelijk ook. Want een paar weken later stuurt zijn moeder me een foto toe van zijn eerste afspraakje: met Job. Twee ongelooflijk zoete jongetjes zitten dicht tegen elkaar aan te spelen.

 

Dit artikel verscheen onder dezelfde titel  in het themanummer De wijsheid van het kind,  februari 2012 van Prana

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: